Pierre en Brodgøde op het Provençaalse pad



“J’en ai marre, Madeleine, ik wil een maandje weg uit Parijs, terug naar het Zuiden, naar Saint Tropez. Kunnen jij en Raphaël niet de komende workshops draaien? Er staan er twee voor over een week en de rest van de maand is het rustig.. En de winkelhulp Dénise doet de rest.”, zei Brodgøde. “Akkoord, ik kom dinsdag a.s. naar Parijs met verse kippen uit Louhans. Geniet van je trip met Pierre”, antwoordde Madeleine en hing op. Pierre was boven aan het inpakken. Ze zouden zo weinig mogelijk meenemen, want naar verwachting zouden ze toch met een volgeladen  2CV terugkomen. Vol ook met nieuwe indrukken, voor de winkel en voor artikelen over food en wijn van Pierre’s hand. “Het is akkoord”, riep Brodgøde naar boven. We vertrekken overmorgen.
Die dinsdag stond Madeleine al vroeg voor de deur van Bru et sa Bresse. “Ik heb er zo’n zin in om weer eens in Parijs aan de slag te gaan, dat ik vanochtend al om half zes ben vertrokken uit Louhans.”, zei  ze. “Wat zie je er goed uit”, zei Pierre,”nog steeds aan het genieten in het Saône dal op het domaine van Raph?”, vroeg Pierre. “Mais bien sur!”, lachte Madeleine. “Kom nu is het tijd voor lekker koffie met een vers broodje. Pierre hielp Madeleine de zware kratten met kippen naar achter te brengen. Ze dronken koffie en aten een broodje. “We gaan nu, kom Pierre”, riep Brodgøde, “op naar de Provence!” Ze zoenden Madeleine en stapten in de eend. Luid toeterend reden ze de straat uit.
De reis verliep voorspoedig, langs Dijon, via Lyon, lunch in Valence. Voor ze het wisten doemde de contouren van de Mont Ventoux op. “Laten we vanavond gaan logeren bij de Fontaine de Vaucluse. Voor mij is dat jeugdsentiment, die bron, met en zonder water. Ik ben er eens op schoolreisje geweest, helemaal vanuit België.”, zei Pierre. “Leuk idee, ben er nog nooit geweest. Gek eigenlijk’, zei Brodgøde. Ze namen de afslag naar Cavaillon en reden richting de Fontaine de Vaucluse. Ze vonden al snel een hotelletje en na een glaasje pastis op één van de terrasjes liepen ze richting de bron. Het schemerde al.


Bij de bron van de Vaucluse aangekomen, gingen ze op één van de stenen zitten, om te kijken naar het water dat kolkte uit de diepe bron, waarvan niemand precies de diepte kende. “De Fontaine de Vaucluse heeft op veel mensen een magische uitwerking. De Romeinen hadden er al ontzag voor en gebruikten het water. In de Renaissance schreef Petrarca hier zijn mooie gedichten.”, zuchtte Pierre, “wat ben ik toch een onverbeterlijke romanticus.” “Ja, dat ben je zeker,” en Bordgøde gaf hem een kus. Ze genoten van de schemering.
Plots hoorden ze achter zich een stem: “Bon soir, ik zag jullie zo zitten, genietend van het blauwe water en de vallei. Ik ben het fantasme provençal, ik zwerf al eeuwen rond in deze streek. Van de Alpilles naar de Pont St. Bénézet. Van de Luberon naar de monding van de Rhône. Van Orange naar Arles. Ik heb zelfs die beetje rare Hollandse schilder nog eens bezocht toen hij in Saint Rémy in het ziekenhuis lag.” “Oh!”, riepen beiden uit. “Ik weet dat u op reis bent en er mooie herinneringen wilt opdoen. Zal ik jullie vergezellen op jullie Provence reis?” En weg was het fantasme. “Ik denk dat we wat gehoord hebben, meegesleept in het décor hier”, zei Brodgøde, “kom we lopen terug naar het dorp voor een lekkere daube a la provençale.”
Brodgøde en Pierre genoten van hun avond op het terras van het hotel. Het was zacht weer en de krekels tsjilpten. Het bekende Provençaalse concert. De volgende dag zouden ze via Avignon naar Les Baux rijden. En genieten van het zicht op de Ventoux. De groet berg, naar alle winden genoemd. Ze namen nog een glaasje rosé en gingen daarna vroeg op kot, zoals Pierre dat altijd noemde.
De volgende ochtend was Pierre al vroeg op. Hij wilde Brodgøde verrassen met een  picknickmand vol lekkere dingen. Bij de bakker kocht hij een vers stokbrood, bij de slager allerlei vlees waren en bij de fruitstal een mooie meloen uit Cavaillon. “Goedemorgen”, hoorde Pierre achter zich,”Wat gaan jullie vandaag doen? Ik weet dat Avignon op de agenda staat. Zullen we daar op de brug afspreken?” En weg was de fantasme provençal.


“Ik zag zo juist die dinges provençal weer achter me. Zou ik gek aan het worden zijn? Hij wil aan het einde van de middag op de brug van Avignon afspreken. Waarom eigenlijk?”, zuchtte Pierre. “We zien wel, we zijn op reis, dus maak je geen zorgen.”, antwoordde Brodgøde. Ze reden door de mooie vallei naar de voet van de majestueuze Mont Ventoux. “Het is lang geleden, dat ik hier ben geweest, op schoolreis. Eén van de bussen, we waren met twee groepen, raakte van de weg. Daarbij is een klasgenoot verdwenen, Guy heette hij.  Je begrijpt dat daarna de Provencereis afgelopen was. Ik zal het nooit vergeten.”, zei Pierre. “Dat heb je me nooit verteld.” “Nee, ik herinner het me nu, daarom is het wel leuk deze tocht over te doen.”  Ze reden verder richting Avignon en vonden een mooie picknickplek langs de Rhône. Ze genoten van de lunch en elkaar. Brodgøde vond de kennis die Pierre had over vele onderwerpen onweerstaanbaar. Het was fijn om met hem te reizen.
Ze parkeerden de eend bij de stadsmuur van Avignon en liepen naar de Place d’Horloge. “Ik vind Avignon zo een fijne stad aan de rivier, met dit plein en het paleis verderop.”, zei Brodgøde “Het is hier heerlijk, eigenlijk zo er een gewoon een dependance van Bru et sa Bresse moeten komen hier. Maar dat soort eten past niet bij de Provence. Alhoewel, bij een flinke mistral is een confit ook niet weg.” “Grapjas, kom we gaan even een kopje koffie drinken en dan naar het paleis van de pauzen!”, lachte Brodgøde. Na de koffie liepen ze richting het grote plein voor het paleis. Het was rustig. Die rust gaf een weidsheid en maakte het paleis nog groter.  Ze liepen tot bovenaan en keken over de rivier. “Zo en nu naar de Pont St. Bénezet” Brodgøde en Pierre liepen naar de rivier. Naar de beroemde brug van het liedje. “Zullen we een dansje, want dat doe je op deze brug, je vous en prie, Madame?”, lachte Pierre. Hij pakte haar beet en ze zwierden over de brug, helemaal tot het einde.
“Wat fijn dat jullie er zijn”, zei de fantasme provençal. Pierre en Brodgøde keken om en zagen de man met de zwarte kap. “Kom laten we gaan zitten. Ik heb jullie veel te vertellen”, startte de fantasme,”In 1985 was ik met mijn klasgenootjes op schoolreis hier in de Provence. We hadden de tijd van ons leven. Maar het noodlot sloeg toe. Onze bus kon niet meer remmen bij de afdaling van de Mont Ventoux en raakte van de weg. Ik raakte gewond. In het ziekenhuis van Cavaillon hebben ze me opgelapt. Aangezien ik twee jaar niet kon praten, werd ik geplaatst bij een wijnboerengezin in Valréas, in de Enclave des Pâpes. Niemand uit België is mij ooit komen zoeken. Zij zorgden goed voor mij. Drie jaar nadien ben ik op mijzelf gaan wonen bij de vallei van de Vaucluse. Ik werd ook wijnboer. Ik ging nadenken en werd geïnspireerd om af te maken, waar we mee waren begonnen destijds. De reis! Het drinken van het water uit de diepe bron geeft je namelijk speciale krachten. En toen zag ik gisteren jou, Pierre en de bella Brodgøde. Dit is het moment dacht ik.”  “Dus jij bent Guy?”, stamelde Pierre.


“Ja, ik ben Guy, waar iedereen van dacht dat hij spoorloos was verdwenen. Ik leef al jaren als fantasme provençal in het Vaucluse dal en bezoek mensen, om het verleden ongedaan te maken. Om ze te troosten of te helpen. Mijn onzichtbaarheid  krijg ik van het water uit de bron. Zo kan ik overal telkens verschijnen. Dus ook op jullie reis nu. Naar België kan ik niet, te ver. Dan zouden de krachten oplossen. Ik ben dus gedoemd hier in de Provence rond te dolen. ’s Nachts dwaal ik rond en breng brood, vlees en groente naar mensen, die tekort komen, ouderen. Soms een flesje wijn erbij, zonder etiket natuurlijk, anders zouden de ontvangers meteen weten dat het van Guy Depardon kwam.”  Brodgøde keek Guy aan en zei: “Wat een fantastisch verhaal. Ik ben onder de indruk.”  Pierre slikte en vroeg: “Waarom heb je ons opgezocht? Moeten wij iets voor je doen of kunnen we dat?”
“Mijn grootste wens is eens naar Brussel terug te keren om te zien hoe het leven daar is, de straat waar ik woonde. Te veel om op te noemen. Dat kan ik natuurlijk alleen maar onzichtbaar doen, want stel dat iemand mij zou herkennen. Ik weet dat mijn ouders nog leven. Ik zou graag zien hoe. Ik kan een kannetje Vaucluse water meenemen, maar ben er via ene meneer Zimbo uit Pontarlier achter gekomen, dat er nog een ingrediënt bij moet. Oplosbare steentjes van het strandje naast de haven van Saint Tropez, kristallen. Zo kwam ik bij jou Brodgøde!”, antwoordde Guy
“Toevalligerwijs is meneer Zimbo een neef van me.  Mijn moeder is ook opgegroeid in Kinshasa. Ik zal hem eens bellen, wanneer hij naar Saint Tropez komt. Misschien kunnen jullie samen een plan bedenken om in België te geraken. Dat heeft geen haast, want Brodgøde en ik blijven nog zeker een maand in ons nieuwe huis aan de kust”,  zei Pierre, “ik moet wel even nadenken over je verhaal.. zullen we een drankje doen?”  En weg was de fantasme, plotseling. “Ach, die zien we wel weer verschijnen”, lachte Brodgøde. 



“Allo”, klonk het aan de andere kant van de lijn. “Goedemorgen Zimbo, met Pierre spreek  je. Brodgøde en ik zijn  in de Provence. Wij hebben je hulp nodig.”  Pierre vertelde het hele verhaal van A tot Z. “Hmm”, antwoordde meneer Zimbo,”Dat is een verhaal zeg. Ik had al wel eens gehoord over de fantasme provençal, maar deed dat altijd af als sprookjes, want niemand had hem ooit gezien. Hij schijnt vele mensen te helpen. En inderdaad de bron van de Vaucluse kan magische effecten hebben. En wat betreft zijn Brussel reis.  Om zijn actie radius te vergroten heeft hij inderdaad de kristalletjes van het tweede strandje naast de haven in Saint Tropez nodig en mos uit het hoge Noorden. Ik weet zeker dat Brodgøde nog een potje heeft staan. Vraag het haar maar. Zal ik volgende week naar jullie toekomen? Dan heb ik tijd.” “Okay zien we je dan, gezellig, we rekenen op je”, en Pierre hing op. “Volgende week komt meneer Zimbo naar ons toe, heb jij nog Noords mos?” “Ja  reken  maar”, zei Brodgøde, altijd handig om in huis te hebben. Kom we gaan we hebben nog een hoop te doen vandaag.”En ze gaf Pierre een dikke zoen.
Pierre en Brodgøde toerden heerlijk in hun 2CV door de Provence. Ze bezochten Arles,  gingen naar het strand van Saintes Maries de la Mer, waar Brodgøde een mooie kleurige sprei kocht voor hun  huisje. Ze aten bouillabaisse in de Vieux Port van Marseille. Ze kochten wijn in, olijfolie en beseften dat ze voor de terugweg naar Parijs een aanhanger nodig zouden hebben om alles te vervoeren. Op hun laatste avond voor ze in Saint Tropez  aan zouden komen, zaten Pierre en Brodgøde op een terras in Aix en Provence. Ze lieten zich de maaltijd goed smaken.
“Het vreemde is, dat ik me tot een paar dagen geleden helemaal niets herinnerde van Guy. Het lijkt wel of hij altijd een soort fantasme is geweest. Ook in Brussel al, waar hij nooit opviel als jongen. Wat ik het rare vind, is dat wij in de stad ook een verhaal hadden over iemand die rond feestdagen voedsel op vensterbanken bij armen en ouderen zette. Nee, nu ben ik aan het malen, dat zal toch niet Guy geweest zijn.  Wie weet?” , zei Pierre.  “Niet zo’n heel vreemde gedachte, want mijn vraag is, waarom hij niet meteen is teruggegaan naar België”, antwoordde Brodgøde, “We zullen het wel horen van Guy of anders van meneer Zimbo. Kom neem nog wat anchoiade.”
 Pierre en Brodgøde waren blij weer bij hun kleine havenhuisje te zijn. Ze openden de luiken en keken uit over de baai van Saint Tropez. Wat was het lang geleden dat ze hier waren. Pierre snoof de zeelucht op en zei: “Het is fijn om hier weer te zijn met jou, we gaan lekker aan de slag vandaag. Eerst dit nestje even inrichten en dan lekker eten op ons balkonnetje. Zitten we nog meer op de eerste rang dan alle die glimmende jachten bij elkaar.” “Gelijk heb je”, lachte Brodgøde.  Ze stapten in hun auto en reden richting Sainte Maxime, waar ze bij de grote hypermarché nieuwe borden, lakens, handdoeken en andere benodigdheden kochten. Op de terugweg stopten ze in Gassin voor wat flessen rosé en bij een viskraam kochten ze oesters en vis. Pierre zou die avond gegratineerde oesters maken. Ouvre les rideaux hun vakantie was nu echt begonnen.


Pierre had geen lekker gevoel over de avonturen van de voorgaande dagen. Waarom kwam juist die Guy hem opzoeken, terwijl hij zo heerlijk op reis was met Brodgøde. Pierre hoopte dat zijn neef Zimbo er snel zou zijn en de juiste steentjes vond. Dan wat Zimbo touch en ze waren verlost van dat fantasme provençal. “Je zit zeker weer te piekeren?”, zei Brodgøde en schonk hem een kop thee in. “Ja,  ik krijg steeds meer flarden van herinneringen uit Brussel. In het dagelijkse leven was die Guy een moeilijk ventje. Stil, maar ook op sommige momenten venijnig. Hij is nooit mijn vriend op school geweest.  Hij woonde op het Sint Goriksplein, waar zijn ouders een  beenhouwerij hadden. Guy moest altijd van zijn vader vleespasteien wegbrengen naar klanten. Zo zal hij ook begonnen zijn met het heimelijk uitdelen van voedsel op gezette tijden. Wij woonden in de Dansaertstraat, om de hoek dus. Elke dag als wij naar school gingen liepen we langs het beursgebouw en daar zat hij dan de ‘zotte Guy’, zoals wij hem noemden. Zou hij wraak willen of is misschien de reden, waarom niemand de moeite nam om hem te zoeken? Ik weet het niet meer Brod!”
“Maak je niet druk, ik heb het gevoel,  dat het allemaal losloopt. Ik denk dat die Guy vroeger eenzaam was in Brussel en het eigenlijk allemaal opnieuw wil doen. Misschien kan Zimbo hem wel helpen. Ik heb het mos van de fjord al klaarstaan.”, antwoordde Brodgøde, “we moeten vandaag naar Cannes om meneer Zimbo van de trein te halen. Rijden we via de Corniche erheen. Met een pick nick. Ga jij zo even wat dingen halen?” “Doe ik”  Pierre stond op en pakte de mand om het dorp in te gaan. Hij zou brood, lekkere vishapjes halen, een tarte Tropézienne en fruit. Hij liep over het kleine strandje richting de haven. Ineens hoorde hij: “Pierre, ik weet dat jij veel piekert over mij. Veel gedachten zijn waar. Ik was een ‘rare Guy’ en hoorde er niet bij. Vroeger in de slagerij moest ik altijd meehelpen en mocht nooit van mijn ouders met andere kinderen praten. Daarom zat ik altijd stil bij de Beurs en mocht ik pas naar school lopen als mijn vader had gezien dat ik niet met jullie uit de Dansaertstraat sprak. Mijn moeder vond alles van slechte invloed en bad elke dag voor me. Allemaal heel verstikkend. Dus, toen ik vele jaren later verdween in de Provence was dat voor mij een zegen. Vrijheid!  Maar ik wil geen fantasme blijven. Ik wil naar Brussel terug om alles recht te zetten . Ik zag jou bij de Fomtaine en dacht…”  Pierre slikte en zei: “Vandaag komt mijn neef Zimbo aan. Hij zal je wel helpen. Neem een hotelletje hier in de baai en hij neemt contact op. Nu moet ik opschieten.” Tevergeefs want de fantasme was al weer weg. Een verbaasde voorbijganger staarde Pierre aan. Waarom praatte deze man in zichzelf en in zo een rare taal?


Guy wachtte geduldig op zijn hotelkamer. Er werd geklopt. Hij opende de deur en zag meneer Zimbo. “Goedemorgen Guy!” “Dag meneer Zimbo, ik wachtte al op u.”, zei Guy. “Ik ben gekomen, omdat mijn vrienden zich zorgen maken om je. Je wilt naar Brussel vliegen op de krachten van het Fontaine de Vaucluse water. Daarvoor heb je kristalsteentjes uit de baai nodig en het mos uit het Noorden. Ik ben er al enkele dagen over aan het denken, wat ik je ga laten zien.”  “O, oh juist ja, meneer Zimbo?”, hakkelde Guy. “Ben je er klaar voor Guy?” “Ja  laten we beginnen dan kan ik naar Brussel.” “Het wordt anders Guy, dan je denkt. Laat het over je heen komen. Neem dit glas en drike een slok gemalen fjordenmos met Vaucluse water!”  Guy dronk zijn glas leeg en ging zitten. Meneer Zimbo prevelde wat woorden. Het leek Guy wel of hij los kwam van de grond. Dit gevoel als fantasme provençal had hij nooit gehad. Ineens was hij terug, terug in Brussel in de achterkamer van de beenhouwerij.  Guy zag zijn zwijgzame moeder biddend.  En zijn vader grommend achter le Soir. Er heerste een oorverdovende stilte. Guy zag het grijze behang, de stolp met een heilig  hartbeeld op het buffet. Het was verstikkend. Guy liep door de winkel naar het Sint Goriksplein. Aan de overkant van de beenhouwerij was het oude slachthuis. Het zag er vervallen uit. Een stem lonkte hem. “Kom binnen, kom binnen, ga ik je laten zien wat je mist!”  Guy volgde en kwam in de hal van het abbatoir, dat hij kende uit zijn jeugd. Het dak was lek en vogels vlogen er door heen. Het was kil, grijs en naar. Niets te bekennen, wat hem vrolijk maakte. De stem vroeg: “Wilde je hiervoor terug? Was dit je herinnering?”  “Nee, nee, natuurlijk niet, ik wilde het olijke Brussel eens zien dat ik nooit heb gekend, wat mij is ontnomen!”,riep Guy als in trance.
Plots waren alle grijze beelden weg en zag hij dat meneer Zimbo hem aankeek: “Was dat nu wat je wilde zien? Er is geen plek meer voor jou in Brussel. Jouw tijd is daar lang voorbij. Kom neem een tweede slok water met de kristalsteentjes uit de baai.” Guy nam een slok en zweefde meteen weer. Nu waren de kleuren anders. De lucht was helder blauw , de zon scheen.  Hij zag de helgroene wijngaarden van de Enclave des Pâpes, de okerkleurige boerderijen met hun blauwe luiken, hij rook de paarse velden vol lavendel. Guy zag het dorpsplein met de terrassen. En het blije gezicht van een oude vrouw, die een mand met eten en een fles wijn vond op haar stoep.  Het leek wel een sprookje. Nee het was zijn leven. Guy glimlachte, bij het zien van deze overvloed.
“Kom uit je roes, Guy en je weet wat je gaat doen!”, zei meneer Zimbo, “Mohoemba doemba bonki konko moem, zambo provençal amidono boem!” zong meneer Zimbo, terwijl hij Guy terug haalde. Guy werd wakker en voelde zich een totaal andere man. Het leek alsof de grauwsluier weg was, het stiekeme uit zijn jeugd, het nachtelijke zwerven. “Guy, je bent geen fantasme provençal meer, maar een mens. Geen nachtelijke pakketten meer, maar je geeft ze gewoon overdag aan de armen. Je mag best gezien worden.” “Het lijkt wel zo een televisie make over. Dank u wel meneer Zimbo”, lachtte Guy en hij omhelsde hem. “Ga naar de badkamer en kijk in de spiegel. Zo zullen mensen je voortaan zien, niet meer als een grijze dwarrel, niet meer als de fantasme provençal. Niet treuzelen, ik heb honger en Pierre en Brodgøde wachten met de lunch op het strandje.”, lachtte Zimbo. Missie geslaagd.
Beiden liepen ze door de haven naar het tweede strandje bij het huis. Pierre had de barbecue aangestoken, salades gemaakt. De vis werd gegrilld. Er was brood en wijn.  Maar vooral vreugde. Pierre herkende eindelijk een beetje Guy en zijn eerdere zorgen verdwenen. Het werd een gedenkwaardige middag.
Brodgøde en Pierre genoten nog van hun huisje. Ze zetten meneer Zimbo op de trein in Cannes. Na een laatste week vakantie sloten ze de blauwe luiken. Laadden de aanhanger in met alle Provençaalse producten en gingen op pad. Door de Provence, terug naar Parijs. Onderweg deden ze nog even Valréas aan en vonden daar een dolgelukkige Guy Depardon.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Hugues Ronsard gaat op zoek.

De Amsterdamse zomer van Knøbbig en Bart

Brodgøde is back in town