Pelle Grød en het zeeverdriet


PELLE GRøD en het zeeverdriet


Hoog in een Noordse fjord woont Pelle Grød, een gewone jongeman, wandelaar, vorser en dromer. Pelle kan uren op pad zijn langs de boorden van het fjord, zoekend naar stenen en schelpen. En voedsel voor zijn dromerij.Soms gaat hij ook weleens met zijn bootje vissen, op verse makrelen, die dan thuis in de pan verdwijnen. Het levensritme is altijd duidelijk geweest hier in het fjord. Lange donkere winters, waarin Pelle al zijn avonturen opschrijft in een dik boek. Lange eindeloze zomerdagen om om pad te gaan en nieuwe dingen te vinden.
Op een zomerdag was Pelle Grød een wandeling aan het maken langs het water van het fjord. Opgeschrikt door het geluid van twee jagende orka’s keek hij over het water. Hij zag hoe deze grote dolfijnen een school haringen aan het insluiten was. Pelle ging zitten en aanschouwde het schouwspel. Hij maakt zijn fles vlierbeslimonade open en nam een slok. Het was zo een mooie middag in het fjord, bedacht hij. Pelle Grød stond op en liep richting het dorp Bläske, waar hij meestal de post ophaalde en wat proviand.
Nadat hij hiermee klaar was ging hij naar huis, nog een stevige wandeling voor de boeg. Ineens hoorde hij een stem langs het smalle pad. Pelle draaide om en kon zijn ogen niet geloven, want achter hem stond de Palunk, het zeeverdriet. Dat had hij nou in al die jaren en tijdens al zijn wandelingen nog nooit meegemaakt. Gekscherend had hij altijd dit soort oudemannetjesverhalen weggewuifd en nu stond hij oog in oog met de Palunk. Of droomde hij?
De Palunk zag het verbaasde gezicht van Pelle en begon zijn verhaal: “Mijn naam is Gæble en ik ben één van de mannen, die is omgekomen tijdens de olieramp in de Nes fjord. In de jaren 50 van de vorige eeuw werden daar op grote schaal illegale olie- en gasboringen gedaan. Er ontstond een tsunami en het hele dorp Nes stortte in. Sommige mannen, zoals ik, hebben met boten nog mensen proberen te redden, maar tevergeefs” De Palunk nam een slok water uit zijn fles en ging verder: “Door de jaren heen is er een mythe ontstaan, waarbij de bewoners van de fjorden geloofden dat dit alles kwam door invloeden van Palunken. Maar… een Palunk is niets anders dan een dolende geest van een man die zijn taken nog moet afmaken. Wil je zien hoe Gæble eruit ziet?” Hij knipte met zijn vingers en voor Pelle stond nu een jongeman, die als twee druppels water op een neef van Pelle leek. “Maar”, vroeg Pelle,”waarom worden Palunken dan zulke slechte daden toegerekend?” Gæble antwoordde: “In tijden van nood en rampspoed willen mensen altijd een zondebok. De oliemisdadigers van destijds kwamen ook om. Dus werden het in de overlevering de Palunken de klos. Er werd dan ook gewoon jacht op hen gemaakt.” Nu werd het allemaal wat duidelijker voor Pelle. Ze praatten nog wat verder over verzamelen en vorsen, totdat de Palunk zei, dat hij moest gaan. Ze namen afscheid en zouden de week erop elkaar weer treffen op hetzelfde pad. De Palunk had nog veel voor Pelle in petto.
Pelle liep naar huis met een hoofd vol vragen. Hij had nog nooit van een olieramp gehoord bij Nes. Zijn ouders hadden altijd verteld dat opeens het hele dorp Nes de fjord in was gestort. Dat kwam door de bewoners zelf daar in hun goedkope bouwsels. Nee, kwam dan maar eens kijken in het schone Bläske. Daar hebben we het pas goed voor elkaar! Pelle als vorser vond het allemaal wat dunnetjes en schuimde het hele internet af naar informatie over deze ramp. Maar nergens was wat te vinden over de illegale olie- en gasboringen. Zou de Palunk iets anders voor ogen hebben? Zijn verhaal klonk niet als verzonnen en gelogen. Pelle sloot zijn studeerkamerdeur en ging naar beneden om iets te eten. Hij had nog wat lekkere makrelen, mosterd en dille in huis. Stak het vuur aan en goot olie in de pan… Toen had hij het. Hij moest niet zoeken op olierampen, maar op wie er naar olie boorden in dit Noordse gebied. Dat hij dat niet meteen bedacht had. Na het eten ging hij subiet verder en dook in de geschiedenis van het bedrijf Oilbørings, de belangrijkste oliegigant. Er ging een wereld open voor Pelle.
De week ging snel voorbij en Pelle ging op pad langs de fjord in de hoop de Palunk weer tegen te komen. Hij had nu zoveel vragen en zo weinig antwoorden. Pelle ging op de steen zitten waar hij eerder de Palunk had ontmoet. Uitkijkend over het fjord zag hij de wolken en hun schaduwen op het blauwe water. In de verte was er wat zonlicht dat precies het dorp Bläske bescheen, het volmaakte stadje. Pelle kon het laten hierom te grinniken. Hij had ontdekt dat in plaats van Nes ook Bläske niet meer had kunnen bestaan. “Hey!”, hoorde hij achter zich zeggen,” je bent er al!” De Palunk stond achter hem en zag er vrolijker uit dan bij hun eerdere ontmoeting. Het leek wel of Gæble blij was Pelle te ontmoeten. Nu werd het duidelijk de Palunk had hem voor zijn rust nodig. “Ik heb je de vorige keer iets niet verteld”, begon de Palunk,”namelijk, dat ik in de tijd van de olieboringen zelf als inwoner van Nes bij Oilbørings werkte. Ik heb getracht om deze boringen te voorkomen, maar het management wilde mijn bezwaren niet horen” Nu viel voor Pelle het kwartje. Nu werd ineens duidelijk waarom Gæble als Palunk ronddoolde. Nu werd duidelijk waarom de ramp altijd werd doodgezwegen in alle dorpen. Daar zat iets of iemand achter. Gæble vertelde verder: “Destijds was de heer Bonne uit de grote stad een gezien man in Bläske, Nes en andere dorpen. Hij strooide met geld en drankjes in de visserskroegen, kocht cadeautjes voor scholen en versierde gehele dorpen. Zijn doel als directeur van Oibørings was om alle concessies op zijn naam te krijgen. Weg met de visgronden, geen mosselbanken meer. De dorpen zouden het nieuwe Texas worden. Iedereen, met name in Nes zag deze rijkdom graag tegemoet. Wat er daarna gebeurd is, weten we nu. Een dorp verdwenen in het fjord en geen visserij meer mogelijk. Ik heb nog steeds de kaarten en documenten, die ik heb kunnen redden. Als Palunk kan ik hier niets mee. Wil jij mij helpen, Pelle? Dan kan ik mijn rust vinden en alle zeeverdriet verdampen” Pelle slikte en zei volmondig ja.
Tja en daar stond Pelle dan met een map vol documenten, niet wetend of hij hier goed aan deed. De Palunk moest zichzelf maar weer melden. Pelle moest alles laten bezinken. En daar hielp niets beter bij als het maken van een grote pan grødsop met mosselen uit de fjord. Hij besloot de map op zijn kamer te laten en ging nog voor het donker werd op pad. Het was september en de dagen werden alweer korter en frisser. Pelle zette zijn muts op en ging naar de hoek van de dansende mosselen. Hij plukte zijn maal en liep terug naar huis. Eenmaal binnen in de keuken sneed hij wat ui, wortel en groen en smolt de boter in een pan. Hierna leegde hij twee glaasjes aquavit, het ene in zijn mond. de ander in de pan. Hup de mosselen erop en bouillon en klaar was de grødsop. Hij ging aan tafel zitten en dacht na over het hele verhaal van de Palunk. Als het nu eens niet waar was? En hij voor het karretje werd gespannen… Ik houd er mee op voor vandaag, dacht Pelle. De volgende morgen was fris en zonovergoten. Voor de verandering besloot Pelle eens de truck in plaats van zijn benenwagen te pakken. Wie weet kon hij ook nog wat rendiervlees scoren om te roken. Pelle was van plan om naar de locus delicti, de nes fjord te rijden. Hij maakte een flinke stapel boterhammen, nam een fles koffie mee en ging op pad. Op naar het rif in de Nes fjord.
Een reisje naar een ander fjord gaf hem altijd goede zin. Lekker eruit, de wind voelen, een wandeling maken. Hij had de papieren van Gæble maar matig bestudeerd. Simpelweg, omdat het geen nut had om achter olieboorders uit de jaren vijftig van de vorige eeuw aan te gaan. Nee, de strategie van Pelle was om de hele zaak te bekijken vanuit het hier en nu. Hij glimlachte, wat een opluchting. Er is zeeverdriet, maar dat los je niet op door schimmen te jagen. En…, die Palunk, dat was weer een andere zaak. Pelle wist niet of hij hem kon helpen zijn dolende bestaan te beeindigen. In ieder geval niet door een hetze tegen Oilbørings te starten. Zij kwamen al jaren niet meer in Nes. Pelle genoot van de zon, zag de robben dat ook doen. Aangekomen is Nes liet hij eerst de restanten van het dorp op zich inwerken, daarna keek hij naar het rif waar alles om draaide. Wat een onzinnig idee van dat Oilbørings om hier  die paar mensen in de vaart der volkeren te willen opstoten. Zijn maag knorde en hij opende zijn papieren boterhammenzak.
Hij liet zich de grove roggeboterhammen met zalmforel en fjordkers goed smaken. Turend over het rif in de fjord, bedacht hij dat de Palunk nog maar even moest dolen. Meteen een oude wond van deze streek openrijten voor de Palunk was wel wat veel van het goede. Ondertussen doolde Gæble, de Palunk aan de andere oever van de Nes fjord. Hij had zijn kijker meegenomen en sloeg Pelle gade. Het schoot allemaal niet op, dacht de Palunk. Oilbørings moest de schuld van zijn lot hebben, al was dat niet helemaal waar. Had hij wel de goede uitvoerder gekozen? Gæble twijfelde. Pelle had nog niets gezegd over zijn aanpak. De Palunk liep in de richting van het water en zag dat Pelle aanstalten maakte om in het water bij het rif te gaan staan. Wat deed hij daar? Zou hij achter de ware toedracht komen, achter de straf, die Gæble had verdiend door zijn ziel en zaligheid aan Oilbørings te verkopen? En de rol die hij had gespeeld, door zijn familie op te lichten?  De hersenen van de Palunk maakten overuren…
Pelle besloot dat zijn bezoek aan Nes genoeg was geweest en vervolgde zijn trip. Hij wilde zeker nog bij Norg, de rendierboer, wat gerookt vlees halen voor de pasta vanavond. Het was dan wel het hoge Noorden, maar pasta deed Pelle denken aan zuiderse warmte. Na zijn bezoek aan Norg ging hij richting huis. Het was al donker toen hij bij zijn auto aan kwam. Hij stapte in en reed snel naar Bläske, de moderene equivalent van Nes, met schone straten en goedlachse mensen. Pelle stopte bij de Suprmorkt om nog wat pasta en ingeblikte tomaat te halen. In de rij voor de kassa hoorde hij ineens een stem achter zich.
Het was Gudrun, met haar zachte stem. Jarenlang waren Pelle en Gudrun geliefden, die erop uit trokken, de natuur in, op reis naar de poolcirkel. Totdat de koek op was. Ja zo gaat dat. Ze zagen elkaar nog nauwelijks, maar waren niet met ruzie uit elkaar gegaan. Nee, juist het tegendeel. Elke keer als Pelle en Gudrun elkaar zagen was er elektriciteit in de lucht. Gudrun vermoedde dat Pelle wat op zijn lever had en vroeg: “Je zit ergens mee, dat merk ik, kan ik je helpen?” Pelle vroeg Gudrun mee te gaan naar het enige café van Bläske voor een drankje, om zijn hele relaas te vertellen. Gudrun hoorde het hele verhaal over de Palunk aan en fronste. Pelle zag haar denken, tot ze zei: “Pelle, je moet uitkijken met Gæble, hij is Palunk geworden, niet, omdat hij zo een held was tijdens het zinken van Nes, maar omdat hij de ziel en zaligheid van het dorp heeft verkwanseld. Jij bent een dromer en een vorser. Daarom komt deze Palunk naar jou, om jou voor zijn karretje te spannen en je op het einde zijn schuld door te geven. Kijk uit wat je doet ga niet op zijn voorstellen in.” Pelle schrok van deze woorden van Gudrun. Hoe kon zij dit nu allemaal weten? “Ik moet nu gaan koken voor mijn kinderen”, zei Gudrun en kuste hem op zijn achterhoofd. “Ik vertel je wel hoe we de Palunk moeten aanpakken, tot snel!”
Ondanks zijn heerlijke pastamaaltijd met het verse rendiervlees, was Pelle niet vrolijk die avond. Hij schonk een glas wijn in en liep naar boven, waar de map van de Palunk lag over Oilbørings. Pelle begon de knipsels te lezen. Hij las tot diep in de nacht, herlas een aantal stukken opnieuw. Maar geen enkel knipsel gaf hem een clou waar te beginnen. De volgende ochtend startte Pelle zijn auto en ging op pad naar de grote stad. Hij wilde daar de bibliotheek bezoeken en de archieven naspeuren om meer te weten te komen over de relatie van Gæble en Bonne, de directeur van Oilbørings. Na een reis van twee uur stond hij voor de bibliotheek. Hij ging naar binnen en struinde alle rekken en bakken af. Niets te vinden. Pelle begon te vermoeden dat na de ramp van de Nesfjord iemand alle sporen had gewist. Dat kon niet heer Bonne zijn, want hij had zich van een klif in de fjord gestort nadat hij het lot van Nes had vernomen. Door deze operatie was hij geruineerd. Er moest dus een ander zijn, die alle sporen had uitgewist. Gudrun had gelijk. Dat kon alleen de Palunk zijn. Met deze gedachte in zijn achterhoofd reed Pelle terug naar huis. Hij stopte onderweg bij het rif in de Nes fjord. Het bleef altijd een vreemde plek en de mare ging dat, als je met noorderlicht op de oever van de fjord zat, je de omgekomen mensen hun zeerverdriet hoorde zingen. Misschien moest hij samen met Gudrun en de kinderen eens een boottochtje maken van Bläske naar het rif. Leuk voor de kinderen om alle orka’s te zien en voor hem om met Gudrun te praten.
Het was zaterdag en alle vier scheepten ze in op een boot, die hen naar het Nes rif zou brengen. De kinderen van Gudrun waren opgetogen. Het water op, orka’s kijken. Scholen haringen spotten. Dat was pas een mooie dag uit. Gudrun had een goed gevulde picknickmand meegenomen, met gezouten en zure haringen op dunne sneden brood. Haar eigen gemaakte fruitsalade en voor de dorstigen vossenbessen limonade. Pelle moest door dit soort eten altijd aan hun samenwonen denken. Wat verwende Gudrun hem en wat deed hij er voor terug? De boot vertrok en al snel voeren zij op het midden van de fjord. Op de rotsen zaten robben. Vogels vlogen achter een trawler aan. En als je heel stil was hoorde je orka’s fluiten en ademen in de verte. Gudrun begon haar verhaal: “Pelle, jij hebt destijds weinig mee gekregen van de ramp bij Nes, doordat jij vaak met je neus in de boeken zat, te dromen over verre exotische oorden met giraffen en olifanten. Het hele dorp wist dat Gæble, die nu Palunk is, iedereen afkneep en woekercontracten voor hun land verkocht. Het resultaat ervan was dat alle mensen in Nes concessies gaven aan de verkeerde. De Palunk heeft dit willens en wetens gedaan. Zijn wroeging kwam pas, toen bleek dat de bodem met graniet zou instorten bij boren. Er zit namelijk veel schaliegas en als je dat weghaalt wordt de bodem instabiel en zo kon Nes het fjord in schuiven. In die zin heeft Oilbørings verkeerd gehandeld. Maar het was vooral de schuld van de Palunk die te grote belangen had.” “Maar… , hoe weet jij dit allemaal?, vroeg Pelle. “Mijn vader is halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw ook door de Palunk benaderd, met dezelfde niet te vinden knipsels. Gelukkig kende mijn vader nog het verhaal dus stonk hij er niet in. Het enige wat erop zit is de Palunk naar het rif te lokken en hem bij noorderlicht het zeeverdriet te laten ondergaan. Anders wordt er weer een volgende generatie mee belast.” Ze zag de verwondering van Pelle en zei: “Kom time for lunch!” Haar blauwe ogen straalden. Ze riep de kinderen en er werd gegeten.
Na deze dag geweldige dag op het water was Pelle een beetje verward. Had het elimineren van de Palunk nu voorrang of moest hij zijn pijlen weer op Gudrun gaan richten? Hij besloot er een paar dagen op uit te trekken, in zijn ééntje naar de Poolcirkel. Hij schreef een briefje aan Gudrun en stopte het in haar brievenbus. “Ben wat dagen weg om aan de oplossing te werken, hug Pelle” Hij pakte zijn truck in met spullen en proviand, een digitale camera ging ook mee. Pelle had bedacht het Noorderlicht te gaan vangen. De gedachte dat hij op pad ging maakte Pelle al een stuk monterder. Onderweg zou hij veel van de mooie natuur zien, lekkere etenswaar gaan halen bij bevriende boeren. Eerste stop was vandaag het restaurant van Knøbbig een vermaarde kok, die veel ganzenworstjes met blæbære serveerde. Pelle verheugde zich er al op. Na een tocht van drie uur kwam hij aan bij het dorpje Nesbik, waar Knøbbig zijn restaurant had. Hij parkeerde zijn auto en ging naar binnen. Net toen hij zijn ganzenworstjes op zijn bord had zag hij uit het raam Gæble de Palunk voor bij lopen. Vogde deze hem soms? Pelle moest iets verzinnen om hem af te schudden. Eenmaal buiten zag hij de Palunk staan bij zijn truck. “Hey Pelle”, zei de Palunk, “ben je al wat verder met de stukken van Oilbørings? Ik hoop dat we er snel uit kunnen komen.” Pelle keek Gæble aan en zei: “De spullen, die jij mij hebt gegeven leiden nergens toe, vandaar dat ik nu zelf tijd nodig heb om alles uit te zoeken. Ik snap niet dat jij zo op mijn nek zit. Wetende dat jij al 55 jaar zo ronddoolt. Het waarom blijft mij een raadsel, maar de oplossing is nabij” De Palunk droop af. “En volg me niet meer, ik ben nu een paar dagen privé weg. Daarna spreken we af  bij de grot van de dansende mosselen!”, riep hij de Palunk na. Het werd een mooie koude avond, donker en lucht zat vol ijskristal. Pelle zette zijn pooltent op en stak een vuurtje aan. Hij sliep wat en om klokslag 12 uur stond hij voor zijn tent, camera in de aanslag. Hij zou het mooiste fenomeen van de  Pool gaan filmen… Stap één in zijn plan.
Wat een licht in de duisternis en wat een kleuren. Trots bekeek Pelle zijn opnamen van het Noorderlicht die nacht. De tweede stap zou een nachtelijke trip naar het Nesrif worden, om de gezangen op te nemen van het zeeverdriet. ‘Ja ja” zei Pelle in zichzelf, “Als die Gæble eens wist wat hem te wachten stond in de grot bij de dansende mosselen” Hij pakte zijn spullen en begon aan de reis terug naar Bläske. Hij had veel te regelen. Een walvissen microfoon, opname apparatuur en  kruiden om Palunken stil te laten staan. Iedereen kende die remedie, een mengsel van perensap met kruidnagel en mos van het hoge fjord. Dat verslapte je spieren. Gudrun zou het wel willen koken. Pelle werd gewoon blij van de gedachte. Hij stopte nog bij  Knøbbig en laadde zijn mand goed vol met worstjes van rendier en gans. Lekker voor in zijn vriezer. Eenmaal thuisgekomen was Pelle zo moe en voldaan dat hij meteen zijn bed in dook en in slaap viel. Opeens werd hij wakker, hij hoorde geluid aan het voorluik van zijn huis. “Hallo”, werd er geroepen, “mag ik binnenkomen?” Pelle schoot wat aan en opende de deur. Voor de deur stond de Palunk, met een vragende blik. “Pelle, wil jij mij helpen?”, vroeg Gæble, “om een einde aan mijn dolen te maken. Ik weet dat ik veel kwaad heb gedaan met de concessies, ik was verblind door het geld en de beloften van Oilbørings destijds, maar ik zweer dat ik echt alles heb gedaan om Nes te redden.”  Pelle schudde zijn hoofd en keek de Palunk boos aan. “Jij had om te beginnen nooit de dorpelingen mogen misleiden, zelfs nu je al jaren doolt misleid je nog mensen!”, schreeuwde Pelle. “Ik vind dat jij eigenlijk zelf je verhaal moet gaan vertellen bij het zeeverdriet, dat je hebt aangericht, tijdens hun nachtelijke zingen. Maar daar ben je te laf voor. Breng eens een bezoek aan het Nesrif, als je durft!” De Palunk kreeg door dat het menens was en droop af. “Ik kan je maar op één manier helpen. Kom volgende week naar de grot van de dansende mosselen. En doe daar alles wat ik je vraag” riep Pelle hem na. Pelle smeet de deur dicht en ging naar zijn werkkamer. Morgen moest Gudrun meteen het sap maken!
De volgende avond ging Pelle met een bootje naar het Nes rif. Om middernacht zou daar het spektakel van het zingende zeeverdriet beginnen. Hij was goed toegerust met allerlei apparatuur. Een sterke onderwatermicrofoon en een goed opname apparaat. Zittend in zijn bootje wachtte hij middernacht af. Hij schonk nog een sterke koffie in en rilde. Het begon koud te worden.
“Blubu blubu waar zijt gij nu? Blubu” klonk het ineens vanuit de diepte. Pelle startte de opname. “Blobo blobo, ik ben daaro, Blae blu bla”, zong een vrouwenstem terug. Daarna in een koor van vele stemmen: “Gæble jij speelde redder in nood, maar velen van ons vonden de dood. Jij wilde olie en rijkdom, maar velen van ons kwamen om. Als wij ons konden bevrijden uit dit rif… bluba blæ.. “ En verder gingen de geluiden. Telkens werden de daden van de Palunk beschreven, wel een uur lang. Het laatste refrein werd gezongen door de vrouwenstem: “Palunk ga weg, je hebt ons zoveel zeeverdriet gebracht, Palunk verdwijn, je bent een inhalig sjagrijn, Palunk je straf, je zult oplossen, Gaeble betuig spijt, dan zijn we je kwijt. Dit is de les van het voltallige dorp Nes, blublabloblæ…” Stil werd het hierna. Pelle roeide terug naar de wal tevreden. Wat een show zou dit worden in de grot van de dansende mosselen. Hij had nog wat werk te doen, maar over een paar dagen was het zo ver De palunk verstild door het drankje van Gudrun moest zich wel gaan onderwerpen aan de beelden en geluiden in de grot.
Het was een flinke kluif voor Pelle om de grot goed in te richten, vooral om dat de dansende mosselen er geen hinder van moesten ondervinden. Maar alles liep op rolletjes. Nog even… en de Palunk was verleden tijd. Dan konden alle inwoners van de fjorden weer genieten van de natuur. Dan zou het zingen van het zeeverdriet bij het Nesrif stoppen en er weer mensen komen wonen. Het was echt een opruimingsactie. Pelle nam nog vlug een boterham met pekelkaas en stapte in zijn truck op weg naar Gudrun voor het drankje. Hij klopte aan en de jongste van Gudrun opende, vol verwachting kijkend. “Mag ik mee?” vroeg hij. “Nee Sander, dit moet oom Pelle alleen doen. Hierna gaan we wat leuks doen, bijvoorbeeld naar Saint Tropez, weet je waar dat is?” antwoordde Pelle. Gudrun kwam naar de deur met in haar hand twee flesjes. “Groen is voor Gæble en paars is voor…” zei ze, “veel succes!”
Bij de grot aangekomen, dekte Pelle een tafel en zette twee stoelen neer. Een kwartier later hoorde hij de Palunk binnenkomen. “Ga zitten”, zei Pelle,”ik ga je wat lekkers inschenken om te ontspannen. Dan kunnen we praten over je geschiedenis en kijken wat we er aan gaan doen, zodat jij ophoudt een dolende Palunk te zijn en ook anderen hiermee besmet.” Gæble knikte en ging zitten. “Ik wil graag vertellen hoe zeer het me spijt dat ik de uiteindelijke oorzaak ben van de verwoesting van Nes. Ik had niet zo inhalig moeten zijn. Ik dacht alleen aan bergen geld.  Door de boringen destijds heb ik het leven van vele mensen verwoest. Ik weet dat zij elke nacht zingen en hun verhaal doen. Ik hoor het dagelijks in mijn hoofd. Destijds was ik verloofd met Brodgøde, de tante van Gudrun. Zij is na de ramp vertrokken naar het buitenland. Zij was zo teleurgesteld in mijn daden en schraperij, dat ze vertrok. Ze heeft de ramp daardoor overleefd en is in Frankrijk een bekende actrice geworden, die nu vecht tegen dierenleed. Ik heb nog een foto van haar uit de krant. Ze woont ergens bij een mooi strand. Ik heb aan haar 50 jaar geleden een brief geschreven waarin ik haar mijn spijt betuigde. Deze brief ligt nog steeds bij Gudrun op zolder. Ik had hem eens aan haar vader gegeven. Zouden jullie twee deze brief ooit in Frankrijk willen afleveren? Laten we beginnen, ik heb geen tijd meer te verliezen.” De Palunk stond op en nam de laatste slok van zijn drankje. Je zag hem tollen. Hij wilde nog een stap doen maar kon niet meer bewegen. Het mos van de fjorden werkte. Gæble leek genageld aan de grond te staan. Pelle startte  zijn programma, Flitsen van het Noorderlicht vulden de grot, groene felle tinten. De Palunk begon te schudden, zijn hoofd werd helemaal rood.  Pelle startte de band van het zingende zeeverdriet, “Bløbu, Bloeboe, we komen je halen Gæble, reken maar, we komen je blaublau… blup…Jij Palunk, gaf ons vijftig jaar straf in de dieptje van het fjord, blubø…”, galmde het door de grot. Door de lichtflitsen van het Noorderlicht verkleurden de dansende mosselen tot een heel diep fuchsia. De Palunk was nu gehuld in een paarse gloed.. Het gezang ging door en werd luider en luider. Met een ruk vlogen de handen en armen van Gaeble de lucht in en verdwenen in het geprojecteerde Noorderlicht. Zoef, daar vlogen ze de grot uit en belanden in de fjord. Er klonk een harde plons. Daarna verkleurden zijn benen in een diep oranje en zonkend naar de bodem van de grot. Als een oranje riviertje liepen de gesmolten benen de grot uit in de richting van het rif. Het zeeverdriet zong verder: “Blibo blibo, Bløba, nog even Gaeble en wij zijn vrij… En jij niet meer.” De romp van Pelle werd doorzichtig. Je zag zijn hart kloppen en zijn ademhaling. Deze werd trager en trager en langzaam, terwijl de flitsen doorgingen vormde zijn romp een witte wolk, die zo de grot uit dreef… en boven Nes kwam te hangen. Het hoofd van de Palunk stoomde nu en werd paars, daarna lila en tenslotte opende de Palunk zin mond en zei: “Ik had dit nooit mogen doen…. Hier is mijn laatste energie voor Nes…” Zijn mond opende en duizenden vliegjes vlogen de lucht in. Ze gaven lila licht en beschenen het rif. De hele Palunk was nu opgelost. Pelle slaakte een harde yell en rende naar buiten. Het was donker, maar hij zag boven de Nes fjord een grote witte wolk, duizenden lila vliegjes, het water bij het rif kleurde oranje en hij zag de twee armen die het rif openden. Er klonk luid gezang toen de geesten gevangen in het zeeverdriet hun laatste tocht maakten naar... Tja waarheen? In ieder geval hadden ze nu rust.. Pelle glunderde, hij was zo blij dat hij zijn truck startte en meteen naar Gudrun reed… Bij aankomst in Bläske zag hij dat het hele dorp juichte en danste in de straat. Niemand was het ontgaan, het licht en geluid aan het zwerk. Gudrun stormde op Pelle af en zwaaide met de brief van de Palunk.”Eindelijk”, zei ze “is alles over, behalve één ding, mijn liefde voor jou…” Pelle slikte en zei: “betekent dit..?” “JA”, riep Gudrun…
De volgende dag, toen de rust in Bläske was weergekeerd, zaten Gudrun en Pelle in de wei aan het Nes fjord. De kinderen speelden. “Weet je, liefste, fluisterde Pelle in haar oor, ”waarom gaan we niet eens naar Saint Tropez?”



Reacties

Populaire posts van deze blog

Hugues Ronsard gaat op zoek.

De Amsterdamse zomer van Knøbbig en Bart

Brodgøde is back in town